Wie mag straks nog rijden in Amsterdam? De stad verdeelt de schaarse ruimte. En dat wordt ongemakkelijk. Amsterdam zet een volgende stap in de strijd om schaarse ruimte: bepalen wie de auto nog mag gebruiken. Dat klinkt rationeel, maar het schuurt. In en rond de stad rijden nu al zo’n 800.000 auto’s. Zonder ingrijpen groeit dat aantal met bijna 30 procent, terwijl fiets- en OV-gebruik met circa 40 procent stijgen. Volgens de gemeente past dat simpelweg niet meer. De oplossing: de groei van autoverkeer naar nul brengen via minder parkeerplaatsen, strengere normen en verkeersmaatregelen die doorgaand verkeer weren.
Weerbarstige praktijk
Daar hoort een nieuw afwegingskader bij dat moet bepalen wie de auto écht nodig heeft. Het idee is sympathiek: voorkomen dat maatregelen onevenredig hard uitpakken voor kwetsbare groepen. Maar wie het document leest, merkt al snel dat de praktijk weerbarstiger is dan de bedoeling.
Het kader rust op drie principes: effectief, rechtvaardig en uitvoerbaar. In theorie logisch. In de praktijk blijkt vooral hoe ingewikkeld het is om rechtvaardigheid te organiseren in een volle stad. De gemeente introduceert mobiliteitsprofielen voor doelgroepen en zes criteria om te bepalen wie ondersteuning krijgt. Hulpdiensten en zorgverleners staan hoog op de lijst, kwetsbare bewoners worden beoordeeld op alternatieven en andere automobilisten krijgen vooral tijd om zich aan te passen.
Waar trek je de grens?
Maar zodra je verder kijkt, ontstaan vragen. Want waar trek je de grens? Zorgorganisaties vrezen dat hun werk moeilijker wordt. Ondernemers zien hogere kosten en minder bereikbaarheid. Bewoners vragen zich af of hun dagelijks leven straks afhankelijk wordt van uitzonderingsregels en ontheffingen. Het risico is duidelijk: hoe meer uitzonderingen nodig blijken, hoe complexer en bureaucratischer het systeem wordt.
De gemeente benadrukt dat niets doen geen optie is. Zonder ingrepen dreigen langere reistijden, meer parkeerdruk en een onbereikbare stad. Dat is overtuigend. Maar de gekozen aanpak verschuift het debat van “minder auto’s” naar “wie mag er nog rijden?”. Dat is een politieke en maatschappelijke keuze, geen technische.
Strijd wordt scherper
Het afwegingskader wordt gepresenteerd als startpunt voor nieuw beleid, projecten en maatregelen. Maar de echte test komt nu pas. Want als elke doelgroep een uitzondering claimt, ontstaat een ongemakkelijke vraag: eindigt Amsterdam straks met 800.000 auto’s én 800.000 uitzonderingen?
De komende jaren zal blijken of dit instrument helpt om scherpe keuzes te maken. Of dat het vooral een nieuwe laag complexiteit toevoegt in een stad die al tot de millimeter is ingedeeld. Eén ding staat vast: de strijd om ruimte in Amsterdam wordt scherper, niet eenvoudiger.